Vrijdagmiddag 10 september 2004, half één: vanaf Schiphol vertrekt een Boeing 757 van Dutchbird met aan boord een groep van 14 duikers van Gejo voor een duikvakantie in Egypte, maar niet nadat Rob Vos bij de veiligheidcontrole bijna zijn broek uit moet doen om zonder piepen door het poortje te komen en vervolgens zonder te boarden aan boord komt, verwarring onder het personeel zaaiend. Gek toch dat sommige mensen daar meer last van hebben dan anderen… Verder was de heenreis om door een ringetje te halen: geen vertraging, het vliegveld van Marsa Alam is een oase van rust in vergelijking met Hurghada (ze hebben er zelfs vriendelijke douaniers), iedereen vindt zijn koffers terug en binnen 15 minuten zijn we in een busje onderweg naar de Royal Emperor, ons thuis voor de komende week. Zo’n busreis, vooral in het donker, blijft een belevenis. De Egyptenaren houden niet zo van verkeersborden en geven daarom bijvoorbeeld het naderen van een voorrangsweg aan door rotsblokken dwars over de weg te leggen, zoals wij haaientanden, de buschauffeur, blijkbaar of een oude rot in het vak of een suïcidale gek, besluit er niet eens voor te remmen en zonder zijn lichten aan, om niet op te vallen tussen de andere weggebruikers, schiet hij met een vaartje van 80 kilometer door de wegafsluiting heen met aan allebei de kanten een ruime marge van 5 centimeter. Of het naderen van een tegenligger in het donker: zolang mogelijk doorrijden zonder lichten aan en als de andere auto bijna niet meer kan corrigeren omdat hij te dichtbij is zetten ze allebei hun linkerknipperlicht aan om aan te geven waar hun auto stopt en tot waar die van jouw mag komen. Maar het is het resultaat dat telt en dus zit iedereen rond negen uur tevreden in de luie stoelen van de geaircode living van de prachtige Royal Emperor. Om ons heen lopen Egyptenaren af en aan, er wordt gewerkt aan het eten, iemand maakt een welkomstcocktail en de koffers worden aan boord gesleept. De hutten worden ingedeeld en hoe kan het ook anders, de twee dames gaan er triomfantelijk met de mooiste kamer vandoor, maar niet zonder een lichte frons op de gezichten van de bemanning. Vanwege de privacy had ik besloten mijn vrouw maar een weekje uit te lenen zodat de enige twee dames in het gezelschap samen in één kamer konden slapen en toegegeven: Tanja ruilen voor Glenn, wie zou dat niet willen? Bij inspectie van de boot is iedereen dik tevreden: ruime hutten met airco, eigen douche en toilet, een grote salon met lekkere banken, een functioneel duikdek (dat misschien wat groter had gemogen) een bovendek met luie banken en nog hoger een zonnedek. In de hoek van het bovendek staat een whiteboard met de tekst: No hammerheads. SHIT!!!!! Blijkbaar hebben onze voorgangers niet gezien waar ze op gehoopt hadden.
De volgende dag worden we aan het ontbijt verwelkomt door een dikke, kale Arabier die doof is: Ali Baba, de duikleider voor de komende week. Leest lip in vier talen (zolang Rob Vos die lange snor van hem maar een beetje optilt). Hij praat goed Engels, het is even wennen aan zijn manier van spreken en goed luisteren maar het is zeker geen handicap. Hij vertelt in het kort wat de plannen zijn maar waarschuwt al meteen voor de wind die hard waait en de golven flink opstuwt. We vertrekken naar een duikstek om de checkout duik te maken en de 2 uurtjes varen is voor een aantal mensen al reden om de vissen te voeren met een retourzending van het ontbijt. De zee gaat dan ook behoorlijk te keer en wind is behoorlijk sterk. Ali Baba en kapitein Mohammed staan met gefronste wenkbrauwen over zee te kijken, ik verwacht elk moment Kniertje om te zeggen dat de vis duur betaald wordt, maar die is gelukkig thuis gebleven. De checkout duik bij El Tuna is uiterst relaxt. Dikke murene’s, twee erg opdringerige vleermuisvissen, een kunstig gecamoufleerde schorpioensvis, een grote karetschildpad en een opgeblazen egelvis zijn een greep uit al het prachtigs wat aan ons voorbij trekt. Na al die duiken in Nederland, waar je al blij bent met één vis, is duiken in de tropen een hemel op aarde. Overal om je heen wemelt het van de prachtigste vis, het water is heerlijk warm, het zicht is uitstekend, kortom dit is het ware duikersleven. Terug aan boord moeten er spijkers met koppen worden geslagen: de Brothers zijn mogelijk maar dan zou er keihard gewerkt moeten worden, 9 uur tegen de wind in stampen om er te komen, ter plekke geen mogelijkheid voor een ligplaats in de luwte, de wind zweept de stroming op, kortom een weinig uitnodigend vooruitzicht. Er is een alternatief: Daedalusrif, veel verder naar het zuiden, nog verder uit de kust (halverwege Saoudi Arabië en Egypte) maar doordat de reis er heen voor de wind gaat en ter plekke achter het rif in de luwte kan worden afgemeerd een veel betere keuze én (zonder het woord te noemen want dan zie je ZE zeker niet) meer kans op grote vis aldus Ali Baba, zorgvuldig in het midden houdend wat dat dan voor vis zou zijn, een stekelbaarsje van 10 centimeter is namelijk ook een erg grote vis. We besluiten om morgen eerst een dag te gaan duiken op Elphinstonerif en daarna de definitieve keuze te maken. Die volgende dag waait het zo mogelijk nog harder en als we bij Elphinstone aankomen spoelen er golven van 1½, 2 meter over het rif heen. Er is nog een andere boot, die net bezig is te gaan duiken: de duikers moeten vanaf een stampend achterdek in het water springen en naar de zodiak zwemmen en vervolgens aan boord klimmen omdat ze niet gewoon in kunnen stappen vanwege de golfsl
ag. Een spoedoverleg later zijn we, uitgezwaaid door een groep dolfijnen die om de boot heen zwemmen, op weg naar Abu Dabbab, een rif in de luwte van de kust. Dit tot groot genoegen van de groep. Daar aangekomen krijgen de meeste gezichten weer wat kleur en eenmaal in het water zorgt een mooie duik ervoor dat de ontbering gauw is vergeten. ’s Avonds hakken we de knoop door en besluiten naar het Daedalusrif te gaan. Nog snel wordt er een ruilbeurs voor pilletjes opgezet en een breed scala aan medicatie gaat van hand tot hand, waarbij het woord cocktail niet gemeden wordt, sommige mensen zien we pas na vier dagen weer helder uit de ogen kijken. ’s Nacht wordt de grote oversteek gemaakt en net voor het ochtendgloren meren we af, wat mij betreft, mede dankzij een pilletje, een heerlijk tochtje, de boot schommelt heen en weer als een wiegje. Andere danken de Heer dat we aangekomen zijn en eindelijk stil liggen.