Dahab, na de klap

De drie bommen die op maandagavond 24 april afgingen in het Egyptische kustplaatsje Dahab, hebben diepe wonden geslagen. Drie maanden na dato interviewde Eric de Kluis verschillende mensen in de getroffen plaats. De schade aan de gebouwen was al snel weer hersteld. Maar de mensen zijn er nog lang niet bovenop. Een reconstructie.

Vrijwel iedere avond zit Saed, eigenaar van Palma Bedouin Travel, op het muurtje van het Al Capone restaurant, net naast de brug in het centrum van Dahab. Daar overziet hij de boulevard, waaraan de restaurantjes en winkeltjes liggen. Hij rookt er zijn Marlboro’s en spreekt klanten aan die mogelijk geïnteresseerd zijn in een kamelentocht naar Ras Abu Galum, een snorkeltrip naar Ras Mohammed of een jeepsafari naar de Coloured Canyon. Ook op maandag 24 april zat Saed daar. Het was extra druk op straat, het was immers Sham Al-Nasseim, het voorjaarsfeest. Ook de volgende dag was een feestdag. Op 25 april is het Sinai Liberation Day, de datum waarop Israël zich in 1982 terugtrok uit de Sinaï. Veel mensen wilden de dag afronden met een etentje in een van de vele restaurantjes en een beetje flaneren over de boulevard. Het was zeven uur ’s avonds, maar nog erg warm.

Om vijf over zeven klonk een enorme knal uit de richting van Mashraba, het zuidelijke deel van Dahab. Een halve minuut later volgde een explosie op het bruggetje in het centrum. De derde bom ging af recht voor Al Capone restaurant, nog geen vijftien meter van het reisbureau van Saed. De journaalbeelden die om acht uur op het NOS-journaal verschenen toonden een grote ravage. Hollende mensen in de duisternis, lichamen, rook. De camera zoomde op Al Capone restaurant. Op het muurtje waar Saed altijd zat. Voor het muurtje lag een grote plas bloed, waarin een gele aansteker dreef.

De geur van bloed
Het bloed was niet van Saed. Vijf minuten voordat de bommen afgingen, had hij besloten nog gauw langs huis te gaan voor een douche en schone kleren. “Direct na de explosies werd ik gebeld door vrienden die me vertelden dat het om bommen ging. Ik ben onmiddellijk teruggekomen. Het was donker. Overal was stof en rook. En het stonk verschrikkelijk naar bloed. Menselijk bloed. Dat ruikt heel anders dan bloed van dieren.” Saed doet zijn verhaal met wijd opengesperde ogen, alsof hij alles opnieuw voor zich ziet. Hij vertelt hoe hij totaal verdwaasd door de puinhopen liep. Hij wilde helpen. Zag de benen van iemand die klaarblijkelijk op zijn buik lag. Hij pakte de benen bij de enkels beet. Er bleek geen lichaam meer aan vast te zitten. Twee losse benen, meer niet. “Ik heb ze laten vallen en ben gaan rennen, rennen. Ik wilde alleen nog maar weg. Zo ver mogelijk.” Zes weken bracht hij door bij familie in Alexandrië. “De eerste twee dagen kon ik niet praten. Ik wilde alles kwijt, alles vertellen wat ik had gezien, maar ik kreeg geen geluid uit mijn keel.” Begin juli keerde hij terug naar Dahab. Hij toont het beschadigde plaveisel waar de bom is afgegaan tussen zijn kantoortje en het restaurant. Laat de gaten zien in zijn bureau en plafond waar stukken metaal zijn ingeslagen. De meeste schade is hersteld. Maar het zal nog lang duren voor Saed er overheen is.

De kleinste details
Ook Achmed Saïdi, duikgids bij duikschool Fish & Friends in Masbat, het gedeelte van Dahab aan een baai van de golf van Aqaba, weet precies waar hij was en wat hij deed toen de explosies klonken. Hij praat zachtjes, monotoon. Hij beschrijft de gebeurtenissen van die dag en de daarop volgende ochtend tot in de kleinste details. Alles staat hem nog helder voor de geest. Helderder dan hij zou willen. Saïdi had die avond afgesproken om met vrienden te gaan eten bij Tota, een restaurant in Masbat in de vorm van een schip. Daarvoor moest hij de brug over. Op het moment dat hij wilde vertrekken kwam een klant nog wat vragen over een duik voor de volgende dag. Daardoor was hij een paar minuten opgehouden. Misschien zou hij net over de brug zijn geweest, misschien net erop.

Regelmatig schiet de Saïdi vol als hij zijn relaas doet. Maar hij stopt niet met vertellen. Monotoon vervolgt hij zijn verhaal, terwijl hij in het niets staart. Hoe hij hielp met gewonden en doden in auto’s te laden. Maar hij vertelt vooral over de volgende ochtend, toen hij gebeld wed door de politie. “Om half zeven ging mijn telefoon. De politie vroeg of ik wilde gaan duiken om te kijken of er bewijsmateriaal op de bodem van de baai lag. Er zou een tweede duiker onderweg zijn. Maar die kwam niet. Na twintig minuten ben ik alleen het water in gegaan. Ik had geen handschoenen en geen net om dingen die ik vond mee te nemen. Ik kreeg alleen een vuilniszak mee.”

Saïdi vertelt nauwkeurig hoe hij het water in ging, hoeveel lucht hij in zijn fles had, na hoeveel minuten hij zich op welke diepte bevond. Ieder detail lijkt voor hem van levensbelang. “Na 12 minuten was ik op 17 meter diepte. En daar lag het.” Saïdi huilt. Het duurt een tijdje voor hij zijn verhaal kan vervolgen. Over de armen – twee rechterarmen - en het hoofd dat hij op de bodem vond. Met zijn blote handen deed hij ze in de vuilniszak. Hij kon de met water en menselijke resten gevulde zak nauwelijks naar de kust krijgen. Toen hij bovenkwam stonden er veel mensen op de brug te kijken naar wat hij had gevonden. Hij kon de zak niet uit het water tillen. Eerst moest hij er water uit laten lopen. “Maar ik wilde niet dat de mensen op de brug zagen wat er in zat. Ik hield de ledematen tegen zodat het water uit de zak kon, zonder dat er iets uitviel. Ik stond daar de klungelen. Niemand hielp.”

Het overheersende gevoel toen hij uit het water kwam, zo verteld Achmed Saïdi, was woede. “Ik was zo kwaad, zo kwaad. Ik hoopte dat er een dader gepakt was, dat ik hem zou zien. Ik zou de lichaamsdelen die ik had gevonden in zijn gezicht gesmeten hebben. En roepen: Dit heb jij gedaan!” Opnieuw tranen. Verexcuserend steekt de duikgids zijn handen in de lucht. Saïdi wist op het moment dat hij uit het water kwam nog niet dat het hoofd dat hij in de vuilniszak bij zich droeg, van een van de daders was. De eigenaar van een klein buurtwinkeltje in de wijk Assalah in Dahab. Het armere gedeelte, waar voornamelijk Bedoeïenen wonen.

Daders uit El Arish
Hoe de bommen in Dahab terecht zijn gekomen en wie ze tot ontploffing heeft gebracht, daarover bestaat weinig verschil van mening onder de inwoners van Dahab. De daders zouden afkomstig zijn uit El Arish in het Noorden van de Sinai en uit Rafah, aan de Israëlische grens, vlakbij de Gazastrook. Zij zouden zijn getraind in Palestina. De bommen zijn Dahab binnengesmokkeld in een auto met meloenen. De sterke geur van deze vruchten moest de honden, die getraind zijn om springstoffen te ruiken, om de tuin leiden. In Dahab kregen drie mannen, waarvan twee afkomstig uit Dahab zelf en een uit El Arish, plastic tasjes met de bommen mee. Het waren geen zelfmoordenaars. Ze zouden grote bedragen ontvangen om de bommen in de wijken Mashraba en Masbat te plaatsen. De man uit El Arish probeerde eerst zijn tasje af te geven bij een parfumeriezaak in Mashraba. Hij zei dat hij naar het toilet moest en snel terug zou komen. De eigenaar van de winkel weigerde echter. Vervolgens probeerde hij het bij een videowinkel, opnieuw tevergeefs. Daarna bij een juwelierszaak, naast de Ghazala supermarkt. Daar lukte het wel. Enkele minuten later was er van de juwelierszaak niets meer over. Drie medewerkers overleefden het niet, een vierde ligt nog steeds in het ziekenhuis met een verbrijzelde arm. Voor de deur van de juwelierszaak vielen de meeste doden. Onder hen een acht maanden oude Duitse baby.

Ondertussen liepen er twee mannen met bommen in tasjes aan beide zijden van de brug. Ze zouden in de veronderstelling hebben verkeerd dat de bommen om half acht af zouden gaan. Maar om enkele minuten over zeven werden ze – vanuit het Moon of Sinai-camp, een eenvoudig toeristenkampje in het zuiden van Dahab, door een man uit El Arish met een afstandsbediening tot ontploffing gebracht. “Geld,” zegt reisorganisator Saed. “Daar deden ze het voor. Ik weet dat een van de daders een slecht lopend winkeltje had in Assalah. Hij verdiende misschien 20 tot 30 pond per dag. Ik geef soms tien keer zoveel uit in een dag. Dat is normaal als je hier in de baai werkt. Dat zien de mensen in Assalah ook. Dat zet soms kwaad bloed. Dan wordt het aantrekkelijk om zoiets te doen voor een groot bedrag.”

Veel meer doden
Ook over het aantal doden lijkt consensus te bestaan onder de inwoners van Dahab. Dat aantal wijkt echter sterk af van de lezing van de Egyptische overheid, die in eerste instantie een getal van 23 doden naar buiten bracht. Later werd dit aantal teruggebracht naar 18, omdat er dubbeltellingen tussen zouden zitten. Maar volgens de bewoners van Dahab lag het werkelijke dodental veel hoger. Vijftig tot vijfenvijftig. ‘Ik ben vier ritten meereden naar Sharm el Sheik, zegt een duikschoolhouder. “Ze hebben alleen de doden geteld die bij het General Hospital in Sharm zijn aangekomen. Maar veel auto’s keerden terug omdat de slachtoffers al overleden waren. En veel van de overledenen zijn helemaal niet naar het ziekenhuis gebracht. Die zijn allemaal niet meegeteld.” “Ik heb alleen hier voor de Ghazalamarkt al 24 doden geteld, zegt een eigenaar van een toeristenwinkeltje in Mashrabastreet. En dan heb ik het nog niet eens over de andere twee bommen.”

Minder overeenstemming bestaat er over de vraag waarom de bommen in Dahab tot ontploffing zijn gebracht. ‘Israël zit erachter,’ zo weet hotelmanager Yasser zeker. “Israël is jaloers. Het gaat goed met het toerisme in de Sinaï terwijl het met het toerisme in Eilat steeds slechter gaat.” Een winkelier meent dat de Bedoeïenen uit het noorden van Sinai, uit El Arish, kwaad zijn dat de Egyptenaren steeds meer van de Sinaï in bezit nemen. Dat er bij de aanslag alleen Egyptenaren en toeristen gedood zijn en gewond zijn geraakt, en geen enkele Bedoeïen, ziet hij als bewijs. Weer anderen noemen de Palestijnen als initiatiefnemers van de aanslag. “Zo willen ze ons bij hun strijd betrekken.” Wonderwel noemt niemand Al Qaeda als mogelijke verantwoordelijke voor de bommen.

Hippieparadijs
In de afgelopen anderhalf jaar waren de drie andere belangrijkste kustplaatsen in de Sinaï, Sharm El Sheik, Taba en Nuweiba, al doelwit geweest. Alleen Dahab was nog gespaard gebleven. Maar toch verwachtte niemand dat Dahab aan dit rijtje zou worden toegevoegd. Dahab is geen plaats met massatoerisme en grote resorts. Het kustplaatsje, waarvan de naam ‘goud’ betekent, was oorspronkelijk niet meer dan een nederzetting van de Bedoeïenen. Halverwege de jaren zeventig streken er wat hippies neer, op zoek naar een paradijselijke plek met goedkope accommodatie en door de Bedoeïnenen in de bergen gekweekte wiet.

Van hippieplaats ontwikkelde Dahab zich steeds meer tot een populaire bestemming voor rugzakreizigers. Begin negentiger jaren opende de Egyptenaar Mohammed en de Duitse Ingrid de eerste duikschool, Inmo. Vandaag de dag is Dahab een populaire plaats voor duikers, vanwege de prachtige koraalriffen en bijzondere duiklocaties die allemaal vanaf de kust te bereiken zijn. Dahab telt inmiddels maar liefst 61 duikscholen. Toch heeft het plaatsje altijd iets van de sfeer van de begintijd gehouden. ‘Relax man, this is Dahab’. Het is een mengelmoes van Egyptenaren, Bedoeïnenen, moslims, koptische christenen en toeristen uit alle denkbare landen. Van structurele spanning tussen moslims en christenen is geen sprake, evenmin als tussen toeristen en lokale inwoners. “Mijn buurman is christen, daarnaast zit een moslim en daarnaast weer een christen”, zegt een winkelier. “Als iemand iets in mijn winkel wil kopen en ik heb het niet, dan lenen we de spullen van elkaar. Zo gaat dat hier. Er is geen verschil.”

Ook direct na de aanslagen werkte iedereen samen, vertelt een Egyptische restauranthouder die niet met naam genoemd wil worden. “Bedoeïenen, Egyptenaren, toeristen, iedereen. Behalve de instanties die daarvoor zijn,” verzucht hij. ‘Er is hier wel een ambulance, maar eerst moest de chauffeur worden gezocht en toen moest er nog worden getankt. Daarbij waren er geen paramedici voor de ambulance, dus we konden de gewonden beter gewoon in de aanwezige pick-ups en taxi’s naar het ziekenhuis brengen.” Dat ziekenhuis was het General Hospital in Sharm El Sheik. Dahab zelf heeft ook een ziekenhuis, maar daar waren op dat moment slechts één arts en een paar verpleegkundigen aanwezig. Die kon weinig meer doen dan de dood vaststellen bij slachtoffers en de gewonden doorsturen naar het ziekenhuis in Sharm El Sheik en in sommige gevallen naar Cairo.

Overwinning op de terroristen
Krantenverkoper Machmud zat op de avond van de 24ste april net even uit te rusten op de trap van de Ghazala-supermarkt. Hij stond op om binnen een kopje thee te gaan halen. Het volgende moment lag hij tien meter verderop in de winkel, met een gapend gat in zijn been. Bijna twee maanden lag hij in het ziekenhuis in Cairo. Nu zijn de littekens nog slechts getuige van de wonden die hij toen opliep. Hij prijst zichzelf gelukkig. Hamdullah. Allah zij geprezen. Aan de lichte plekken op de handen en armen van een van de jongens die hij in dienst heeft, is te zien dat deze stevige brandwonden heeft opgelopen. Ook die haalt zijn schouders erover op. Hij heeft het immers ook overleeft, terwijl hij zich net als Machmud pal op de plek van de eerste bom bevond. Hamdullah.

Ondanks de diepe wonden die de bommen hebben geslagen, zien de winkelier, de duikgids, de reisagent, de krantenverkoper en de restauranthouder allemaal ook een groot voordeel. Alsof over dit punt een uitgesproken overeenstemming bestaat onder de inwoners van Dahab. De naam Dahab is de hele wereld over gegaan. ‘Iedereen kent ons nu. Momenteel is het nog stil. Door de aanslagen en door de situatie in Libanon zijn er weinig toeristen. Maar die komen wel weer terug. En nog meer dan voorheen. “Dat betekent meer geld. Maar het betekent vooral een overwinning op de terroristen”, zegt de winkelier.

“Ik twijfelde de laatste jaren of het niet eens tijd werd om Dahab te verlaten,” zegt duikgids Achmed Saïdi. ‘Maar nu weet ik zeker dat ik blijf. We laten Dahab toch niet aan ‘hun’ over?”

Eric de Kluis